Buñuel in MexicoGijs MulderHet toeval bracht de Spaanse cineast Luis Buñuel (1900-1983) in Mexico. Hij was in 1946 op doorreis van Amerika naar Frankrijk waar hij eindelijk weer eens een film hoopte te maken. De klus in Frankrijk ging niet door en Buñuel bleef in Mexico hangen toen hij in contact kwam met de producent Oscar Dancigers, die hem de kans bood om daar als regisseur aan de slag te gaan. Buñuel zou tot zijn dood in Mexico blijven wonen en er de meeste films uit zijn lange carrière maken. In 1946 was Buñuel alleen nog bij cinefielen bekend als de maker van drie avant-gardefilms uit de jaren dertig, die stuk voor een stuk een schandaal hadden veroorzaakt en/of waren verboden. Het zijn nu monumenten van de filmgeschiedenis: Un chien andalou, L’Âge d’or en Las Hurdes. Buñuel maakte deze energieke en opruiende films aan de vooravond van de Spaanse republiek die zou uitmonden in een burgeroorlog. De dictatuur van Franco die daarop volgde, dwong Buñuel – en velen met hem – om de wijk te nemen naar het buitenland. Pas rond 1960 zou hij zijn vaderland weer kunnen bezoeken. De eerste twee films die Buñuel in Mexico maakte, waren melodrama’s voor een groot publiek. Een daarvan had zo’n succes dat Dancigers hem voorstelde om een ‘serieuze’ film te gaan maken over straatkinderen. Dat zou Los olvidados (1950) worden. Bij de première in Mexico ontlokte de film heftige protesten vanwege het weinig rooskleurige beeld dat van het land werd geschetst en hij werd al snel van het programma afgevoerd. Pas na goede kritieken in Frankrijk kwam het succes en werd Los olvidados erkend als de comeback van Buñuel. Het is een sleutelfilm in zijn oeuvre omdat de drie sporen die hij tot dan had gevolgd bij elkaar kwamen: de avant-garde van zijn eerste twee surrealistische films, het engagement van Las Hurdes en het commerciële drama van zijn eerste twee Mexicaanse films. Voor de hedendaagse kijker is Los olvidados nog steeds een rauwe film. Hij gaat over straatkinderen in een sloppenwijk, maar het is ook een film met poëzie en veel surrealistische momenten, en een ontroerend verhaal over gebrek aan liefde, over vriendschap en solidariteit. Buñuel raakte er in Mexico aan gewend om films te maken in zeer korte tijd, met een minimaal budget en vaak met matige acteurs. Hij moest efficiënt werken en ontwikkelde mede daardoor zijn kenmerkende onopgesmukte stijl van filmen. Sommige van de bijna twintig films die hij in Mexico draaide, worden gezien als klassiekers (Los olvidados, Nazarín, El ángel exterminador), maar de meeste zijn vergeten omdat ze niet gelden als ‘echte’, kenmerkende Buñuel-films. Dat komt ook door wat Buñuel er zelf over heeft gezegd. Hij deed ze altijd af als películas alimenticias, films die hij moest maken om in leven te blijven en die eigenlijk niet de moeite waard zijn. Toch zitten daar kleine meesterwerkjes tussen. Twee goede voorbeelden van ten onrechte vergeten films zijn Subida al cielo en La ilusión viaja en tranvía, allebei roadmovies uit de jaren vijftig. De ene gaat over een tocht in een gammele bus door een kustprovincie in Mexico, de andere over een illegale rit met een oude tram door Mexico-stad. Het zijn frisse, snel vertelde films met een reeks memorabele passagiers en surrealistische situaties. In La ilusión neemt een stel slachters bij het abattoir de tram. Ze zijn beladen met kadavers en één slachter hangt een koeienkop aan een van de stangen in de tram. In Subida al cielo stapt een man in de bus met een doodskistje waar zijn overleden dochtertje in ligt. Buñuel maakte in Mexico ook psychologische films. Él en Ensayo de un crimen zijn portretten van mannen met obsessies. Over Él, het verhaal van een ziekelijk jaloerse man, heeft Buñuel verklaard dat het een van zijn persoonlijkste films is. De openingsscène behoort tot de mooiste die Buñuel heeft gedraaid. In de kerk, tijdens het voetwassingsritueel op Witte Donderdag, ziet de hoofdpersoon (en de kijker met hem) voor de eerste keer de vrouw die zijn liefde zal worden. Het is een vloeiend gefilmde scène vol onderhuidse spanning en erotiek. Afgezien van de acteurs hebben deze twee films weinig specifiek Mexicaanse kenmerken. Dat geldt ook voor de laatste films die Buñuel in de jaren zestig in zijn tweede vaderland maakte, El ángel exterminador en Simón del desierto. El ángel, die hij eigenlijk liever in Engeland of in Frankrijk had willen draaien, speelt zich voor het grootste deel af in een salon, waar een bourgeois gezelschap om onverklaarbare redenen in zit opgesloten. Het is een rijke film, waar je ook als je hem vaker hebt gezien steeds weer nieuwe lagen en intrigerende details in kunt ontdekken. Buñuels laatste Mexicaanse film, over een man die bovenop een zuil in de woestijn leeft (Simón), duurt maar 48 minuten omdat het geld halverwege op was. Hij was toen 65 jaar en begon het geëmmer over budgetten en alle andere beperkingen in Mexico zat te worden. Sindsdien maakte Buñuel alleen nog maar films in Frankrijk. Daar had hij alle vrijheid en alle mogelijkheden om de films te maken zoals hij ze wilde. Er zitten geraffineerde en onvergetelijke meesterwerken tussen, maar zijn laatste Franse films missen de ongepolijste charme van zijn Mexicaanse films. Boekuitgave: Buñuel over BuñuelTomás Pérez Turrent en José de la Colinavertaald en toegelicht door Gijs Mulder met een inleiding van Willem Jan Otten http://www.luisbunuel.nl/ Tegelijkertijd met het Buñuel-programma tijdens het LAFF en in het Filmmuseum verschijnt bij Menken Kasander & Wigman Uitgevers een monumentale uitgave getiteld Buñuel over Buñuel. Een bundeling interviews met Buñuel over elk van de 32 films van zijn indrukwekkende oeuvre. Buñuel reageert in deze gesprekken op heldere en geestige wijze op de vele, soms vergezochte, interpretaties waartoe zijn films aanleiding hebben gegeven en toont meer dan ooit zichzelf, zijn werkwijze en zijn universum.De Nederlandse vertaling van dit legendarische interviewboek breidt uit met een grote hoeveelheid illustratief beeldmateriaal en informatieve en vaak verrassende toelichtingen op de interviews. Ook toegevoegd is een interview met Buñuels oudste zoon Juan Luis, zelf ook filmregisseur, die 25 jaar na de dood van zijn vader terugkijkt op diens leven en werk. Menken Kasander & Wigman Uitgevers 512 pagina’s Euro 34,50 |
